TIPS VOOR DE BEGINNENDE VERHALENVERTELLER

Mei 2017, Carolien de Kovel

Een verteloptreden bestaat uit drie elementen: de verteller, het verhaal en het publiek. De verteller heeft een verbinding met het verhaal en met het publiek en hij/zij probeert een verbinding tussen publiek en verhaal tot stand te brengen.

VERHAALKEUZE

Illustratie Sprookje Ali Baba Kies een verhaal dat je aanspreekt. Onderzoek heeft aangetoond dat het publiek het doorheeft als je ‘niet om je personages geeft’. Bovendien is het leuker voor jezelf. Er zijn veel verhalen te vinden op het internet, bijvoorbeeld: de Verhalenalmanak. Verhalen uit de orale traditie zijn meestal gemakkelijker dan literaire verhalen. Daarmee bedoelen we sprookjes, mythen, sagen en wat dies meer zij. Een sterke duidelijke plot, een chronologische volgorde en vooral niet te veel personages maken vertellen ook simpeler. Houd er rekening mee dat de luisteraar niet kan terugbladeren als hij iets gemist heeft.


INSTUDEREN

De meeste verhalenvertellers leren hun verhaal niet woordelijk uit hun hoofd. Meestal onthouden ze een beginzin (want het is prettig om te weten hoe te beginnen) en een eindzin (want een goede afsluiting uit je mouw schudden kan lastig zijn). Hoeveel ze ertussenin uit hun hoofd leren, varieert. Veel vertellers hebben hun verhaal in hun hoofd als een serie scenes of een serie plaatjes als in een stripverhaal, maar andere vertellers doen het op andere manieren. Als je je verhaal niet woordelijk in je hoofd hebt, ben je flexibeler: je kunt je verhaal aanpassen aan je publiek, de tijd die hebt of de omgeving. Ook raak je niet zo gauw de draad kwijt als je gestoord wordt en het klinkt vaak natuurlijker. Hoe je het verhaal instudeert kan variëren. Een goede methode is om het verhaal eerst in grote lijnen (“dit verhaal gaat over ….”) te vertellen en dan steeds meer details in te vullen, maar het kan natuurlijk ook anders. En het kan zijn dat je voor een ander verhaal een andere methode moet gebruiken. Je kunt het verhaal eerst uitschrijven in je eigen woorden, of alleen in hoofdpunten of het samenvatten in 6 tot 10 plaatjes of regels in een boek onderstrepen of … .

GEBAREN EN ZO

Of je gebaren, stemmen of attributen gebruikt, bepaal je helemaal zelf. Het ligt aan wie jij bent, wat voor verhaal je vertelt, in wat voor omgeving en voor wat voor publiek. Natuurlijk kan het publiek sommige dingen te druk, te kinderlijk of juist een beetje saai vinden, en dan kun je dat aanpassen, maar dit betekent nooit dat je iets moet doen wat niet bij je past. Maar je moet ook niet bang zijn nieuwe dingen uit te proberen: misschien past iets beter bij je dan je dacht. Op YouTube kun je filmpjes bekijken van andere vertellers om een idee te krijgen van de mogelijkheden.

OEFENEN, OEFENEN, OEFENEN

Illustratie sprookjeHoe beter je een verhaal kent, hoe gemakkelijker je het kunt vertellen en ook nog aandacht kunt besteden aan je publiek, je houding enzovoort. Hoe vaker je het vertelt, hoe beter je het verhaal zelf ook begrijpt, je personages kent en hun dilemma’s, en dat is belangrijk voor een goede vertelling. Dus oefen in je hoofd en hardop, voor de spiegel of voor de videocamera van je smartphone (beetje confronterend). Oefen het gehele verhaal of alleen een stukje waar je moeite mee hebt, maar doe het vooral vaak.


NOG MEER VERHALEN

Als je Engels kunt lezen, zijn er heel veel bronnen op het web om verhalen te vinden. Wereldtradities, zoals Griekse, Noorse, Hindoestaanse, Joodse mythologie, Koning Arthur, enz, enz staan uitgebreid op Sacred Texts . Literaire korte verhalen vind je op East of the Web. En er is nog veel meer. Denk eraan dat er officieel copyright op een literair verhaal zit tot de auteur 70 jaar dood is.

Meer tips over vertellen Tips over praktische zaken